De Kapel van Sint-Yvo

(*) cfr. bijlage 1 uit het boek van V. JACOBS. Uit het verleden der Antwerpsche balie. De confrerie van Sint-Yvo en haar jaarfeest in 1674, Antwerpen, 1916, blz. 59 e.v.

1. Geschiedenis

In het jaar 1636 gaven de Kermeesters van Sint-Jacob aan het College van burgemeester en Schepenen van de Stad Antwerpen te kennen "dat zy met Raedsheer BIEL overeengekomen waren nopens het opbouwen van de derde Kapel aan de zuydzyde van den omloop van den Choor deser kercke, op de fondamenten ende beginselen aldaer staende".

kapelNa goedkeuring van Z.D.H. Gaspar Nemius, Bisschop van Antwerpen, werd op 3 juli 1636 een overeenkomst gesloten tussen de Heer en Meester Laurentius BIEL, Licentiaat in beide de regten en Raed van Zyne Majesteit enerzijds en de heren Ridder Karel De Santa Crux, Binnen-Burgemeester van Antwerpen, Ridder Cornelius Van Spangen, Schepen, Alexander Van Den Broeck, Schepen, De Clerq, Oud-Schepen, deze twee laatste in hun hoedanigheid van Opperkerkmeester van Sint-Jacob, en de heren Nicolaes Cazien, Godevaert Van Den Kerckhove, Peeter Mytinckx en Cornelis Van Bemmel, Onderkerkmeesters, de E.H. Zeger Van Hontsum, Penitentier van het Bisdom Antwerpen en Privisor van Sint-Jacob, en Aubertus Van Den Eede, beide Kannunik van het Kapittel van de Kathedraal, anderzijds.

De overeenkomst hield in dat Laurentius BIEL op zijn kosten de kapel voor de heilige Yvo zou laten bouwen en inrichten met omgang, altaar, houten gestoelte, vensterraam en grafkelder. Het verdere onderhoud kwam ten laste van de Kerk.

Laurentius BIEL werd op 19 december 1641 begraven in de kapel. Aan de ingang er van bevindt zich zijn wapenschild en dat van zijn echtgenote DE GAVARELLE.

2. Beschrijving van de kapel

2.1. tuin

De tuin van de kapel werd door een onbekende vervaardigd uit witte, zwarte en rode marmer.

2.2. altaar

Het ALTAAR is samengesteld uit dezelfde kleuren marmer en rust op twee voetstukken. Daarop staan de zuilen, de omlijsting en de timpanen, versierd met afhangende bloemen en fruitkransen.

Op het middendeel van de kornis staat een FRONTSPICIUM, daarop en voetstuk met bloemen en vruchtvaas, versierd met afhangend loofwerk en met drie gevleugelde engelenhoofden. Deze bloemenvaas was origineel uit hout vervaardigd maar werd in 1853 wegens te grote schade vervangen door witte steen, het origineel kunstig nagemaakt door beeldhouwer Joannes van Aerendonck. Het frontspicium is ondersteund door een gevleugeld engelenhoofd tussen fruithoorns.

De schilderij van het altaar is door lijstwerk omringd en de ganse samenstelling is rechts en links aangesloten door sluitkonsolen, versierd met een gevleugeld engelenhoofd, waarboven een mandeken met vruchten beladen.

De fries van de kornis is met loofwerk verrijkt, uitgenomen aan de uitsprongen, waarop het wapen van Catherina De Gavarelle, echtgenote van de stichter van de kapel, voortkomt.

Het is niet geweten door welke kunstenaar dit altaar werd uitgevoerd. Het vernieuwde en het thans nog uit witte steen bestaande oude beeldhouwwerk is van de hand van Andries Colyns de Nole, den jonge.

Tussen de gemetselde voetstukken praalt een mooi BAS_RELIËF van P. Scheemaeckers, vervaardigd uit witte marmer, met een lijst van loofwerk versierd.

In het midden staat de Zaligmaker hangende aan het kruis dat door Magdalena knielend en met grote droefheid wordt omhelst. De ogen van Christus vallen op de bekeerde zondares met hangende haren en het kleed der boetvaardigheid onder haar prachtig habijt. Het is niet geweten waarom de beeldhouwer Christus voorstelde zonder doornenkroon. Aan de voet van het kruis staat een doodshoofd, twee gebeenten, een gesel en een reukvaas. Rechts bevindt zich Onze Lieve Vrouw in diepe droefheid en doorstoken met het zinnebeeldig zwaard, zoals door Simeon werd voorspeld. Links staat een wenende Johannes.

Achter deze apostel verheft zich rechts een met planten en bomen gestoffeerde heuvel. Aan de overkant is er een zicht op Jeruzalem. Nabij de muren van de stad met zijn tempel en gebouw met vier figuren ziet met gerechtsdienaren en krijgslieden, met ladder en vaandel, waarop het wapen van Jeruzalem prijkt.

Links staat het wapenschild van de familie BIEL, vastgehouden door twee met een helm bekroonde krijgsmannen. Een derde zwaait met een bijl. Aan de linkerkant staat de inscriptie: P. Scheemaeckers invenit et fecit Anno 1700. Het betreft Petrus Scheemaeckers, den oude.

Aan de beide kanten van de kandelaarsbank van het altaar bevindt zich een gevleugelde engel die knielend een kandelaar vasthoudt. Twee andere engelen, in dezelfde houding, staan op de konsolen voor de voetstukken van het altaar. Zowel de konsolen als de engelen zijn vervaardigd uit witte marmer, versierd met loofwerk en met een Sint-Jacobsschelp. Die zijn ook van de hand van Petrus Scheemaeckers, den oude.

Voor het altaar prijkt een ANTEPENDUM uit witte marmer. In het midden, in een glorie van vijf gevleugelde engelenhoofden, omringd met fruit, loof en bloemwerk, bevindt zich de Allerheiligste Naam Jezus boven een vlammend hart. Het zeer merkwaardige werkstuk is van Petrus Scheemaeckers, den oude. In 1843 werd het hersteld door J.B. De Cuyper en H. Schaefels.

altaartafereel  met Sint-Yvo

Het ALTAARTAFEREEL werd geschilderd door Geeraerd Zegers. Het verbeeldt de heilige Yvo die de armen in hun gerechtelijke problemen bijstaat. Sint-Yvo zit in een zetel op een trede aan een met tapijt bedekte tafel. In de rechterhand houdt hij een pen. Met de linkerhand reikt hij een perkament aan een stokoude grijsaard met wie hij converseert. De heilige is wat kaalhoofdig voorgesteld, met volle baard, in rood onderkleed en een met pels belegd zwart bovenkleed, de voeten in sandalen. Het aangezicht van Sint-Yvo is vol uitdrukking en de ganse figuur wekt achting. Achter de grijsaard bevindt zich een in het zwart geklede wenende vrouw. Aan de voet van de trede knielt een vrouw die met de rechterhand Sint-Yvo aanwijst aan een arm jongetje naast haar, dat eveneens knielt en een mandje met documenten vasthoudt. De vrouw heeft een tulband en werd liefelijk geschilderd. Bovenaan het schilderij ziet men een engel die met lauwerkroon naar de heilige Yvo afdaalt. Achter Sint-Yvo werden boeken aangebracht. In 1842 werd dit schilderij hersteld door Jos Maes.

2.3. houten gestoelte

Tegenover het altaar bevindt zich een houten gestoelte, met schrijnwerk versierd. Het dateert van 1637 zonder dat is geweten wie het vervaardigde. Het werd gerestaureerd en vervolledigd rond 1915 o.l.v. de oudheidkenner Eugène VAN HERCK, op kosten van de confraternitas.

2.4. schilderij boven het gestoelte

Oorspronkelijk hing boven het gestoelte een schilderij van Marten DE VOS dat de marteldood van Sint-Jacobus de Meerdere voorstelde. Dit werd door de Kerkraad vervangen door twee luiken van een schilderij van OTTO VENIUS (1558-1629). Het ene luik verbeeldt de heilige Cecilia die de lof des Heeren zingt, het andere de verschijning van Christus, na Zijn verrijzenis en als hovenier, aan de heilige Maria Magdalena.

2.5. glasraam

Het glasraam dateert van 1914 en werd voor rekening van notaris Louis LECLEF, senator, ere-notaris, voorzitter van de Kerkrrad en lind van de Raad van de Confraternitas, vervaardigd door M. STALINS.

2.6. gedenksteen

In de kapel van sint Yvo hangt tevens een gedenksteen, vervaardigd door beeldhouwer Jan GERRITS bij de gelegenheid van de heroprichting van de Confraternitas in 1911.

gedenksteen